24-09-12

SPEELGOED EN SCHOOLGERIEF

 

 

 

 

BIKKELS.PNG

 

PENNEDOOS.PNG

PASSER.PNG

KNIKKERS.PNG

 

 

SPEELGOED EN SCHOOLGERIEF

 

In den Bazar, bij Charles Decalf in de Roesbruggestraat kon je allerhande schoolgerief en speelgoed kopen. Met de kermis of met de “solden” kon je er “surprisen” kopen. Dit waren allerhande kleine voorwerpen en winkelwaren die je kon vissen uit de “visput”. Alles was verpakt in geschenkpapier en soms kon je er ook een zakje met “marbels” uitvissen als je geluk had. De meest gekende winkel van schoolgerief en speelgoed was bij Simonne Delbaere in de Steenvoordestraat. Zij had een prachtige winkel voor die tijd en wat wij er het meest gingen halen waren “marbels”, “bollekeiten” en “pekkels”. Ieder jaar als het nieuwe schooljaar begon moesten wij om papier om onze “boeken te kaften”. Toen was dat nog effen blauw kaftpapier en was er nog geen sprake van alles wat er nu te koop is. We moesten ook de etiketten om je naam en leerjaar op je boeken te vermelden meebrengen uit de winkel van Simonne.

 

SPELLETJES

 

 

 

HAASJE OVER.PNG

HINKELEN.PNG

 

HOEPELEN.PNG

 

TOUWTJE SPRINGEN.PNG

 

VERSTOPPERTJE.PNG

 

SCHIETLAP.PNG

 

 

SPELLETJES

 

Tegenwoordig spelen de kinderen bijna niet meer buiten zoals wij in onze jeugd deden. Nu is alles veranderd wegens het toegenomen verkeer en de komst van allerlei speelgoed die te maken heeft met de computerwereld, nu bestaan er reeds educatieve spelen voor kinderen vanaf drie jaar. Wij kenden dat fenomeen nog niet en veelal werd er gespeeld met zelfgemaakt speelgoed.

 

De meisjes konden “hinkelen” waarvoor ze enkel krijt en een houten blokje nodig hadden. “Touwtjespringen” konden zij ook met een gewoon stuk touw. Ze hadden ook een spel met een “rekker” waarover ze sprongen en dansten. “Zeepbellen blazen” konden ze met zelf gemaakt zeepsop, enkel de “diabolo” en de “jojo” moesten gekocht worden in de speelgoedwinkel. Later kwam ook nog de “scoubidou” uit, dat waren plastieken linten van verschillende kleuren waarmee men allerlei figuren kon vlechten.

 

De jongens konden een “klakkebusse” zelf maken, een soort pomp waarmee men natgemaakte proppen vlas konden wegschieten. Een “schietlap” werd gemaakt van een houten spriet, zorgvuldig uitgekozen uit de takken van een “bollaard”, twee rekkers van een oude binnenband, een “chambraire” en een stukje soepel leder die we haalden bij  Camiel Soenen. We schoten daarmee stenen naar alle voorwerpen die we wilden vernielen. Meermaals schoten we de stenen potjes die op de telefoon,- en elektriciteitspalen stonden aan flarden. Ruiten moesten er ook soms aan geloven en men kon er zelfs iemand ernstig mee verwonden. Nu is het  verboden wapen om een schietlap “bij zich te hebben in het openbaar. “Marbellen” was een spel waarbij men de knikker van een ander moest kunnen raken om hem zo in uw bezit te krijgen. “Butsen” werd meestal gespeeld rond de “kerkhofhaag”. We maakten een mooi putje in de grond met onze hiel en we speelden met twee spelers. Er werd overeengekomen om een “potje van vier” te spelen, maar het kon ook meer of minder zijn naargelang we wonnen of verloren. De uitdager nam dan vier “marbels” in zijn hand en de aanvaarder deed er ook vier bij. De marbels werden in het putje “gebutst” en was het aantal marbels in de put een even getal waren alle acht de marbels voor de uitdager. Bij een oneven getal in de put waren de marbels voor diegene die het spel aanvaard had. Bij een hoge inzet kon het soms helpen om eventueel reeds een knikker in de hand te hebben bij het tellen. “Pekkellen” deden we met schakels uit een fiets of motorfietsketting, maar er bestonden ook “pekkels” die in de winkel te koop waren. Dit was een  behendigheidspel waarbij er een pekkel omhoog werd gegooid de andere een per een moest oprapen. Daarna twee oprapen enzovoort. Daarna werden de pekkels “gemaaid”, “gekapt”, dit waren allemaal varianten in het spel.

Gepost door MICHEL RUSSE in SPELLETJES, WEKELIJKS NIEUWS 1950 | Commentaren (0) |  Print

TELEFOONCENTRALE

 

 

 

TELEFOONCENTRALE.PNG

 

 

TELEFOONCENTRALE

 

Er was een tijd dat de telefoon werkte met een systeem van telefoonnummers aan te vragen.  Men moest naar de centrale bellen en een nummer aanvragen. Voor Watou was deze gelegen in de vijfhoekstraat bij Paula Boerhaeve. Haar man had een handel in antiek, Robert Denys. Die centrale was dan ook altijd bemand en er werkten daar ook twee bedienden. Een ervan was Maria Pattyn.

STERRESTOET

 

 

STERRESTOET.PNG

 

 

STERRESTOET

 

Rond Kerstmis gingen we rond met “de Sterrestoet”. Weken voordien werd er “te lande” rond gegaan. In groepjes van drie of vier personen gingen we rond buiten de bebouwde kom, de straten die de Sterrestoet niet aandeed en alle landelijk gelegen huizen. We gingen rond met oude klederen aan, het gezicht geschilderd in het zwart zoals de Driekoningen. We waren voorzien van een collectebus. Bij de mensen werd er een lied gezongen en daarna stopten ze iets van geld in onze collectebus. Soms mochten we binnengaan om iets warms te drinken, en als we wat ouder waren of toonden kon er soms “een druppeltje” vanaf. Ieder jaar werden we op dezelfde plaatsen uitgenodigd om er in de valavond mee te eten met de mensen. Op Driekoningenavond werd er dan in het dorp rondgegaan met de Sterrestoet. Allemaal geschminkt en verkleed, zingend van de Drie Koningen en andere Kerstliederen, begeleid door enkele muzikanten deden we de toer van het dorp met een wagen getrokken door paarden of tractor met daarop een Kerststal met Maria, Jozef en het kindje Jezus. Enkelen liepen langs de stoet met een collectebus om geld op te halen. Het geld werd besteed aan een of ander goed doel. Na de stoet kregen we “koekestuten  met warme chocolademelk in de Parochiezaal.

Gepost door MICHEL RUSSE in STERRESTOET, WEKELIJKS NIEUWS 1950 | Commentaren (0) |  Print